Hoe dachten jullie dat het er uit zou zien?

Hoe dachten jullie dat het er uit zou zien? Een jaar geleden, toen de eerste golf van saamhorigheidsgevoel was gaan liggen en had plaatsgemaakt voor chagrijn in combinatie met de eerste sprankeltjes wanhoop, deed ik wat mensen altijd doen als wanhoop zich aandient: ik begon te fantaseren. Hoe het zou zijn. Niet eens ná corona, maar hoe dat vaccineren, als er op den duur een vaccin gevonden was, zou gaan. Want vaccineren, dat zou onze enige uitweg zijn.

En ik zag lange rijen. Voor het Olympisch stadion. Voor het gemeentehuis. Voor het Groninger museum, voor de kartbaan in Berghem en voor het Palm Partyhouse in Hendrik-Ido-Ambacht. Ik stelde me voor dat ik ’s ochtends wakker werd en het mijn beurt zou zijn (zouden ze per letter van het alfabet gaan prikken? Per verjaardagsdatum? Per leeftijd? Per sterrenbeeld?). Het leger zou namelijk ingezet zijn om de eerste week van het vaccineren alle oude en kwetsbare mensen naar de priklocaties te brengen (achter de legerjeeps aan busjes met zorgpersoneel, ook op weg naar een prik en eventueel het bieden van extra assistentie, onder luid gejuich van iedereen die uit de ramen hing, want voor het eerst sinds het begin van de crisis zouden we weer klappen). Een nieuwe saamhorigheidsgolf. We zouden niet komen opdagen op zoommeetingen omdat we er zeker van wilden zijn dat de buurvrouw van drie hoog achter waar we in al die jaren nog maar drie woorden mee hadden gewisseld genoeg proviand bij zich zou hebben als ze met haar rollator aansloot in de rij, waar ze natuurlijk door iedereen voorgelaten zou worden.

En nu was het mijn beurt. Ik zou naar de jaap-eden baan gaan, paspoort in mijn hand geklemd. In de rij zou ik praten met de andere mensen, net zo opgetogen, op afstand natuurlijk, nu nog even op afstand natuurlijk, zouden we zeggen, maar straks, we zouden het hebben over al die idiote hobby’s die we het afgelopen jaar hadden uitgeprobeerd, mijn God wat heerlijk dat we die schijn straks niet meer op hoefden te houden… en als ik de prik eenmaal had zou ik dat aan iedereen laten weten met #vaccinatievrijheid en ik zou een uur later inloggen met DigiD en teruglezen welk vaccin ik nou precies had gehad om hoe laat op welke dag en of er nog een tweede prik zou volgen.

En omdat we dat allemaal samen door zouden maken, die weken, want hoe lang zou het nou eenmaal duren, als we alle zeilen bij zouden zetten, als we zodra er een vaccin bekend was iedere fabriek die daar op deze wereld ook maar enigszins op was toegerust aan het werk zouden zetten (want die patenten zouden we natuurlijk afkopen met de miljarden die we niet uit zouden hoeven geven aan duistere stichtingen die een compleet vruchteloos teststraatbeleid voor luttele weken zouden bedenken zonder doel, zonder verantwoording en/of alle miljarden die we bespaarden op multinationals niet voor de derde keer in een jaar redden) — nou goed, omdat we het allemaal samen doormaakten dus, zou er een zekere mate van catharsis plaatsvinden.

Want elke crisis hoort met catharsis te eindigen. Zonder catharsis ettert een crisis door.

Wist ik veel, ellendige naïeveling, dat het geen WK vaccineren zou zijn. Dat het beste waar ik een jaar later nog op zou durven hopen was dat kranten in hemelsnaam een keer ‘nee’ zouden zeggen als de persafdeling van het ministerie van VWS weer eens aan de lijn hing met het aanbod de minister te laten fotograferen. Dat mijn fantasieën een jaar later steeds vaker uit zouden gaan naar grootschalige burgerlijke ongehoorzaamheid. Maar hoe ziet dat er uit als je je medeburgers geen schade wil berokkenen? Hoe denken jullie dat het er uit zal zien?

(afbeelding: de Telegraaf, foto Eran Oppenheimer)

Dichter des Vaderlands

Lieke Marsman is de Dichter des Vaderlands 2021-2022

Lieke Marsman neemt de titel Dichter des Vaderlands over van Tsead Bruinja. De komende twee jaar zal zij het prestigieuze ambt bekleden.

Lieke Marsman werd uitverkoren door een comité van dichters en poëziekenners, dat haar prijst om haar eigen toon, poëtische kracht en aansprekende strijdvaardigheid. ‘Marsman is een dichter die als geen ander lyriek een functie weet te geven in de onontkoombare werkelijkheid; die de woorden uit de wereld en actualiteit een nieuwe lading geeft, wat haar stem onwrikbaar en bij tijden ontroerend waarachtig maakt.’ Als dichter paart zij ‘tederheid aan transparantie, eruditie aan humor, eenvoud aan diepgang’, aldus het comité. ‘Marsmans politiek en feministisch geladen teksten en optredens sorteren ook effect bij een groter publiek. Mede daarom zal zij een uitstekende Dichter des Vaderlands zijn.’

In haar werk gaan het persoonlijke en politieke hand in hand. Marsman weet altijd haar vinger op de zere plek in de samenleving te leggen. Die rol neemt ze zich ook voor in het maatschappelijk debat te gaan spelen, vertelt ze in een interview met NRC. Dat verlangen is mede ingegeven door haar ziekte: ‘Het is een tijd van ziekte, en alle zieke en zwakke mensen zijn het afgelopen jaar nagenoeg afgeschreven, als ‘dor hout’. Als ik als Dichter des Vaderlands een rol kan spelen in het maatschappelijke debat, dan zal ik de stem zijn van het dorre hout.’

Het comité dat de Dichter des Vaderlands voor 2021-2022 aanstelde, bestond uit Simone Atangana Bekono, Inez Boogaarts, Menno Hartman, Daphne de Heer, Antoine de Kom, Maaike Meijer, Benno Tempel, Thomas de Veen en Linda Veldman. Lees hier de volledige laudatio.

Klik hier voor het volledige persbericht.

Over Lieke Marsman
Lieke Marsman (1990) schrijft al meer dan vijftien jaar poëzie. In 2010 debuteerde ze met Wat ik mijzelf graag voorhoud, bekroond met drie debuutprijzen: de C. Buddingh’-prijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Liegend Konijn Debuutprijs. Drie jaar later verscheen De eerste letter en in 2017 volgde de roman Het tegenovergestelde van een mens, waarin ze proza met poëzie en essayistiek vervlecht in een stilistische zoektocht over klimaatverandering. In 2018 verscheen De volgende scan duurt vijf minuten, gedichten en een essay over haar kankerdiagnose. In haar nieuwe bundel In mijn mand (Uitgeverij Pluim) behandelt ze de grootste thema’s die het menselijke bestaan kenmerken: de waarde van het leven en de plek van de dood in een mensenleven.

Over de Dichter des Vaderlands
De Dichter des Vaderlands werd in 2000 ingesteld op initiatief van NRC Handelsblad, Poëzieclub en Poetry International. De functie is sindsdien bekleed door Gerrit Komrij, Simon Vinkenoog, Driek van Wissen, Ramsey Nasr, Anne Vegter, Ester Naomi Perquin en Tsead Bruinja.

De Dichter des Vaderlands wordt ondersteund en werkt samen met het Nederlands Letterenfonds, Stichting Lezen, de Schrijverscentrale, Poetry International, Koninklijke Bibliotheek, NRC, Poëzieclub en Tilt. De organisatie en dagelijkse ondersteuning is in handen van de Stichting Dichter des Vaderlands.

In de oven van Cora is alles onder controle

Onlangs zag ik een advertentie op twitter voorbij komen. Het was een gesponsord bericht van ExxonMobil, dat mensen wees op het belang van energie besparen. ExxonMobil, een van de grootste energieconcerns ter wereld, goed voor zo’n 5 procent van de totale CO2 uitstoot ooit, het bedrijf dat onlangs nog in het nieuws kwam omdat het z’n eigen beleggers misleidde over de gevolgen van klimaatverandering, had namelijk nog wel een paar tips voor ons: Als u maar één kopje koffie wilt drinken, kook dan ook water voor maar één kopje. En deze tip: Controleer niet voortdurend of de frietjes al klaar zijn! Probeer, nadat u de oven hebt aangezet, deze zo weinig mogelijk te openen.

Nou, ExxonMobil, bedankt. Fijn dat jullie ook je best doen om het klimaatprobleem op te lossen.

Mij is gevraagd om voor vanavond een column te schrijven over de vraag: waarom raakt de zeespiegelstijging ons niet? Mijn antwoord op die vraag is, heel simpel: de vraag is achterhaald. De zeespiegelstijging raakt ons namelijk wél. Er zijn het afgelopen jaar miljoenen mensen de straat op gegaan, in alle delen van de wereld, omdat ze inzagen dat er iets moet gebeuren. De kranten staan vol met wanhopige oproepen van mensen en organisaties en, helaas, ook steeds vaker met de eerste gevolgen van klimaatverandering. Stel je voor dat er wereldwijd miljoenen mensen zouden demonstreren en staken omdat ze voortaan, ik noem maar wat, op alle wegen 130 km per uur wilden rijden. En dat ze bij de VVD daarna zouden zeggen: nou, het leeft niet echt hè, die maximumsnelheid.

Waar de vraag ‘waarom doet klimaatverandering ons niet zoveel?’ een paar jaar geleden misschien nog legitiem was, is hij nu een voortzetting van een frame waar bedrijven als Exxon zich handig achter verschuilen: als we maar zoveel mogelijk het bericht verspreiden dat het allemaal wel meevalt met die klimaatverandering, dan gelooft men misschien ook wel dat je met het zetten van een kopje koffie minder klaar bent. 

Maar het ‘een beter milieu begint bij jezelf’ tijdperk is, goddank, voorbij. Steeds meer mensen zien door dit soort greenwashing trucs heen. Inmiddels weten we: het tegengaan van klimaatverandering begint bij de politiek.

Wat dat betreft is het geweldig dat minister Cora van Nieuwenhuizen hier vanavond aanwezig is (note: helaas, ze verliet vlak voor deze column de zaal).

In een artikel over en interview met de minister in Elsevier deze zomer las ik namelijk het volgende: “De VVD-verkeersminister beschouwt zichzelf als iemand die het opneemt voor de zwijgende meerderheid en daarom een strijd voert tegen activisten.”

Die zwijgende meerderheid zou bijvoorbeeld de reden zijn dat ze tegen een maatregel als rekeningrijden is. De ‘zwijgende meerderheid’ zit daar namelijk helemaal niet op te wachten. Grappig genoeg: uit onderzoek van de Volkskrant blijkt dat een ruime al dan niet zwijgende meerderheid van de Nederlanders een vorm van rekeningrijden wel degelijk ziet zitten. In hetzelfde interview suggereert ze ook dat het met de stikstofcrisis zo’n vaart allemaal niet zal lopen. “In de tweede termijn zakt de adrenaline”. We weten allemaal hoe dat is afgelopen.

Die activisten dan. Nee, dat zijn allemaal onheilsspellers, doemdenkers zonder verstand van zaken. Daar strijdt zij tegen.

Maar ondertussen bereiden de ambtenaren op haar ministerie zich voor op een zeespiegel die wel eens veel sneller zou kunnen gaan stijgen dan we jarenlang hebben gedacht. De Deltacommissaris van het ministerie, hoogstpersoonlijk benoemd door, nou ja, Cora van Nieuwenhuizen zelf, schrijft daar het volgende over: ‘Er zijn signalen dat de zeespiegelstijging in de loop van deze eeuw mogelijk sneller gaat verlopen dan aangenomen is in de deltascenario’s. Deze extra versnelling heeft te maken met recente inzichten over het mogelijk versneld afbreken en smelten van het landijs op Antarctica.’ In het zwartste scenario, aldus het Deltaprogramma 2019, zal er aan het eind van de eeuw bijvoorbeeld 480 MILJOEN kubieke meter zand PER JAAR nodig zijn om de waddeneilanden tegen het water te beschermen. Dat is 480 miljard liter zand. Per jaar.

Waar al dat zand vandaan moet komen staat er niet bij. Maar ga vooral niet de straat op om je zorgen uit te spreken, stelletje activisten. 

De vraag ‘waarom raakt de zeespiegelstijging ons niet?’ moet dan ook zijn: waarom raakt de zeespiegelstijging onze politici niet?

En het antwoord daarop is: omdat ze tot de kleine groep behoren waar ook de CEO’s van ExxonMobil en Shell toe behoren: de groep mensen die als enige baat hebben bij het niét aanpakken van het klimaatprobleem. Het is de reden dat we het wel hebben over subsidies op hernieuwbare energie — wat vreselijk duur is dat allemaal toch, het kost ons 1,1 miljard per jaar — en niet over de 2,47 miljard euro subsidie die de Nederlandse staat jaarlijks uittrekt voor de fossiele brandstof industrie. 2,47 miljard, en dat is een voorzichtige schatting die de Europese Commissie onlangs deed. Eerder rapporteerde onderzoeksplatform Follow the Money dat het om 7,6 miljard per jaar gaat.

Een paar weken geleden moest de minister de tweede kamer meedelen dat, helaas, haar ministerie blut is. Daarom hoeven we voorlopig geen geld te verwachten voor het toekomstbestendig maken van ons openbaar vervoer. Ik weet het niet, ik heb nog wel een ideetje voor een sector waar het kabinet flink op zou kunnen besparen, houden ze nog een mooi bedrag om boze boeren en bouwvakkers mee te compenseren over ook, maar dat zal dan wel weer activistisch van me zijn.

‘Activisten beweren dat er vliegschaamte heerst,’ aldus de minister. ‘Onlangs was ik jarig en nam ik de kinderen mee naar een concert van Status Quo (ironische bandkeuze, maar dat terzijde). Hartstikke leuk. Niemand, echt niemand spreekt me dan aan op de milieueffecten van de luchtvaart, hoor.’

En als niemand het er over heeft, hoef je er natuurlijk niks mee te doen. Zo kon ons land de afgelopen jaren ook stilletjes afstevenen op een stikstofcrisis. Laat mij u er ondertussen aan herinneren dat een onzin-begrip als ‘vliegschaamte’ helemaal niet afkomstig is van activisten. Het is een rechtstreeks gevolg van het Exxon frame waarin je als individu de schuld van klimaatverandering op je moet nemen. Dat er vervolgens milieu-activisten zijn die dat overnemen, tja, dat zegt iets over hun bereidheid de last van de wereld op zich te nemen, en over de listigheid van big oil om daar op in te spelen. Over listigheid gesproken – laatst meende u dat we de stikstofimpasse rondom vliegveld Lelystad het best met een juridische list kunnen doorbreken.

Beste minister, waarom raakt klimaatverandering u niet? Waarom doet milieuvervuiling u niets? Denkt u dat de zeespiegel zich ook met een juridische list laat tegenhouden? Ik begrijp dat het op de werkvloer bij uw partij vooral een beetje gezellig moet zijn, bier en bitterballen gaan misschien niet goed samen met je laten raken door maatschappelijke problemen. Maar zeespiegelstijging is niet gezellig. Klimaatvluchtelingen zijn niet gezellig. De stikstofcrisis is niet gezellig. De maatschappelijke onrust neemt toe, boeren protesteren, scholieren protesteren en, sorry sorry sorry dat ik gekeken heb, de oven-bitterballen zijn aangebrand. Dus doe iets. En dan echt.

Column uitgesproken op 5 november 2019 in De Balie, Amsterdam.

Voor video van de voordracht klik hier.

De volgende scan duurt 5 minuten

Begin september 2018 verscheen mijn boekje ‘De volgende scan duurt 5 minuten’ bij uitgeverij Pluim, in samenwerking met Tilt. Gedichten en een essay over mijn ervaring met kanker. Koop het bij voorkeur in uw lokale boekhandel.

Het tegenovergestelde van een mens (roman)

Waar het op neerkomt is dat de mensheid als geheel ook eenzaam is. We kunnen er niet tegen dat er niemand iets terugzegt, dat we nog altijd geen dieren hebben horen praten – ja, misschien zo nu en dan in de vorm van het schrille gegil dat onze slachthuizen vult, maar niet met woorden, niet met een oplossing voor de dingen waar we al tijden mee zitten. Zelfs de hemel is leeg. En dus zetten we ons af door al die zwijgende natuur om ons heen te vernietigen, als een wanhopige geliefde die maar niet wordt terug ge-sms’t en het in het café op een zuipen zet.

“Dit klinkt natuurlijk allemaal nogal depressief, maar het wonderlijke is dat Het tegenovergestelde van een mens geen somber boek is. Het is door de afwisseling in genre en door het denkplezier van Ida juist een verrassend speelse roman, ideologisch betrokken, een opeenstapeling van ideeën, pessimistische en optimistische, interessant op alle bladzijdes, en ondanks alle stijlwisselingen verbazingwekkend consistent.” – De Groene Amsterdammer

Marsmans hemelbestormende klimaatfictie” – NRC ****

Alternatieve vragen en antwoorden

Het begon ergens halverwege 2016
Een oproep aan de vrouwen van dit land
Vrouwen, stond er, zijn te veel met nietszeggende zaken bezig
en of ze zich even uit wilden spreken over wezenlijkere dingen dan hun kleding of kind
anders zouden ze nooit aan de macht komen
Ik voelde me aangesproken
Ik wilde me al heel lang uitspreken
Laat mij midden in de nacht door de straten van hoofdsteden struinen 

garandeer me dat ik niet verkracht word 

en ik zal het wereldwijde leven beschrijven
dacht ik nog
Maar toen veranderde alles
 van de één op de andere dag
In Amerika hadden ze een nieuwe president gekozen

Het duurde niet lang
of overal op de televisie: woedende menigtes
Mensen voor en mensen tegen, maar allemaal opgegroeid
met die ene westerse maakbaarheidsillusie
ook wel de Amerikaanse droom genoemd
die hen tot dan toe zoet had gehouden:
je kunt worden wat je wil
(tenzij wat je wil worden gelukkig en veilig is
in een land waar je niet geboren bent natuurlijk
in dat geval kun je achteraan in de rij gaan staan
en wachten tot je wordt uitgezet)
je kunt het leven kiezen
(maar dat betekent nog niet
dat je in leven zult blijven)
Miljoenen vrouwen verzamelden zich
omdat ze het zat waren dat ze zich nog altijd
uit moesten spreken over zaken als abortus
en seksuele intimidatie in relatie tot kledingkeuze
Zo zouden ze nooit aan de macht komen

Ik zat op de grond naast de verwarming. Ik luisterde naar het ruisen van mijn bloed dat langs mijn oren stroomde, ontwaarde er zo nu en dan mijn hartslag in. Op Fox News en CNN waren urenlange live-uitzendingen, die zo nu en dan onderbroken werden door een reclame van Qatar airways: a world class airline.

Ondertussen, dichter bij huis,
de vragen die men stelde:
Moeten we bang zijn, minister-president?
Blijft Nederland wel Nederland?

En de vragen die men niet stelde:
Begrijpt u dat aangezien u enerzijds
al jarenlang een beleid voorschrijft
dat het voor bedrijven gemakkelijk maakt
om over de hele wereld a) grondstoffen
uit buitenlandse bodem te halen en b)
buitenlandse arbeiders uit te buiten
in sweatshops en op plantages bijvoorbeeld
om daarna de opbrengsten van a & b weg te sluizen
naar een of andere brievenbus-firma
in het land waarvan u zich dus leider noemt
terwijl u anderzijds zodra zo’n zelfde buitenlander
volkomen marktconform overigens
hier voor een habbekrats een klus wil klaren
(nadat hij of zij hierheen is gevlucht
vanwege oorlogen die uw voorgangers
en bondgenoten mede veroorzaakt hebben
maar laat me daar niet te lang bij stilstaan
want dan wordt het zo pijnlijk)
moord en brand schreeuwt,
dat er mensen zijn
die u een tikkeltje hypocriet vinden?
Wat is het nou: globalisatie
of protectionisme?

Omdat ik me nog altijd uit wilde spreken, moest ik me goed informeren. In de dagen die volgden las ik het ene artikel na het andere.

Maar al gauw moest ik concluderen
dat er vaker wel dan niet sprake was
van journalisten die een spel speelden
waarbij men vijf verschillende meningen nam
ze in een yahtzeekokertje stopte
een paar keer goed schudde
en daarna op het blaadje
bij het kopje ‘objectieve verslaggeving’
het maximale aantal punten invulde
Bovendien doemde steeds vaker
de term ‘alternatieve feiten’ op

In de weken die volgden probeerde ik in mijn eigen informatie te voorzien. Het hele internet struinde ik af. Hoeveel jaarverslagen er online staan, ik weet het niet — vaststaat dat mijn Acrobat Reader overuren draaide. Vooral de Amerikaanse overheid hield alles goed bij en suggereerde zo op uitgekiende wijze volledige transparantie.

Een week ging voorbij. Daarna een jaar
De gevestigde orde kon het zich al gauw veroorloven
zich bij de nieuwe situatie neer te leggen
Diende er zich een ramp aan
ik noem maar wat, een overstroming
die het resultaat was van een stijgende zeespiegel
die het resultaat was van de klimaatverandering
die zij consequent ontkend of weggewoven had
dan liet ze zich nog dezelfde dag
naar een helikopterplatform rijden
terwijl de rest van de mensen huilend het dak op klom
van zijn onbetaalbaar geworden huurwoning

Met de beurzen ging het gelukkig uitstekend
Na iedere overstroming stegen de aandelen
van farmacie- en verzekeringsbedrijven
Bovendien was Amerika Iran binnengevallen
Een prachtige investeringskans
Nederland kon niet achter blijven
en bestelde 30 nieuwe JSFs

Nog een jaar ging voorbij
In Amsterdam blies een moslim zich op
midden op de Dam, bij klaarlichte dag
twee doden en acht gewonden, waarvan één
het levende batman standbeeld
Zelfs hij had de aanslag niet kunnen voorkomen
Mijn agorafobie kwam weer eens om de hoek kijken
Ik bleef wekenlang thuis en keek tv

Op Nederland 1 was een gesprek met de premier
Moeten we bang zijn, minister-president?

Het antwoord dat kwam:
Nee, we mogen ons nooit door angst
laten verlammen en nooit ophouden
met onze manier van leven leven

En het antwoord dat niet kwam:
Nee, we moeten niet bang zijn, maar dankbaar
dat we zoveel chaos en verwarring geschapen hebben
dat ieder wezenlijk gevaar
in ieder geval niet van buiten zal komen
De guerilla-achtige tactiek van zelfmoordterroristen
is meestal een teken van zwakte
een gebrek aan een georganiseerd leger
Vluchtelingenkampen zijn weliswaar
een uitstekende voedingsbodem voor haat
maar een slechte uitvalsbasis
voor wie een rol wil spelen
op de wereldwijde wapenmarkt
of in de olie wil handelen
die zijn land van herkomst herbergt
Zie het maar als een een teken dat wij
hoe zei ik dat in 2016 ook alweer
gewoon door kunnen gaan
met onze beschaafde manier van leven
en kunnen blijven wie we zijn
een open en democratische samenleving

 

Dit gedicht staat in de bundel Als dit zo doorgaat (Ambo Anthos), samengesteld door Auke Hulst,

Nergens last van

Donald Trump is te dik en hoogstwaarschijnlijk dement. Hillary Clinton heeft of had longontsteking en mogelijk ook de ziekte van Parkinson.

Nu de gezondheid van de Amerikaanse presidentskandidaten tot belangrijkste verkiezingsonderwerp is gebombardeerd, is het van groot belang om ze eens aan een grondige medische inspectie te onderwerpen. Vanuit deze gedachte verscheen Trump eerder deze week in de Dr. Oz Show (een soort Dr. Phil show, maar dan voor lichamelijke in plaats van geestelijke kwalen). Het interview ging ongeveer als volgt: De dokter (‘Dr. Oz’), vraagt Trump of hij wel eens ergens last van heeft. Hoofdpijn bijvoorbeeld, of last van zijn buik? Trump antwoordt: ‘Nee, ik heb nooit ergens van. Ja, vroeger had ik wel eens hooikoorts.’ Hij sport weliswaar niet, op hier en daar wat golf na, maar benadrukt dat speeches geven op conventies ook een soort topsport is. Je moet er erg veel bij gebaren. Trump zegt nog even dat zijn vrouw een groot fan is van Dr. Oz, en that’s it. Trump kiezers zullen weer even gerustgesteld zijn.

Opvallend is dat ook Clinton haar recentelijke hoestbuien weet aan hooikoorts. Voordat ze afgelopen week omviel wegens oververhitting en beginnende longontsteking, verteldclintonphotoe ze journalisten dat ze extra anti-histamine pillen nam, omdat ze in de lente en herfst soms een paar dagen lang veel last heeft van hoesten. Verder was Hil doing fantastic.

Ziekte, zo lijkt de achterliggende gedachte bij de heksenjacht die rondom beide kandidaten is ontstaan, is een teken van zwakte. Een goede, sterke leider, heeft op z’n hoogst zo nu en dan last van een allergietje. Trump lijkt zelfs te zeggen: ik eet veel fastfood en sport zelden, maar ik ben zo sterk dat ik ondanks dat kerngezond ben.

Maar hoe is ziekte iets waar je iemand op af kunt rekenen? Het is qua presidentieel kwaliteiten nu juist een van de dingen waar iemand heel weinig hand in heeft. Tuurlijk, je kunt gezond eten en veel sporten (iets wat in ieder geval Trump dus niet doet), maar ook dan, een ziekte kan altijd toeslaan. Campagneleiders proberen de focus op de gezondheid van de kandidaten te verklaren door te doen alsof ze zich enkel afvragen of de kandidaten wel ‘fit’ genoeg zijn om de V.S. te runnen, maar in de artikelen en filmpjes die de ronde doen lijkt de boodschap veel meer te zijn: het gestel van Hillary/Donald is zwak, omdat zijzelf zwak zijn. En wie zwak is, is geen goede vertegenwoordiger van het Amerikaanse maakbaarheids-ideaal.

Als ik een president moest kiezen, zou hoe gezond hij of zij fysiek is niet bovenaan het lijstje staan. Natuurlijk, het is vervelend als je president sterft aan een hartaanval. Maar misschien heeft hij of zij voor het de pijp uitgaan een paar goede beslissingen genomen, en daarna kan er altijd een vervanger komen. Veel vervelender is het als je president neergeschoten wordt door een gek die op de hoek van de straat een geweer heeft gekocht, of als je president een van de weinige mensen in het land is die voor zijn of haar ziekte doeltreffende medische zorg ontvangt, omdat de rest van de mensen het niet kan betalen zich fatsoenlijk te
verzekeren.

Een bekende uitspraak luidt dat iedere natie de leiders krijgt die het verdient. Als dat zo is, zou het me niets verbazen als Trump en Clinton allebei toch ernstig ziek blijken.

De laatste kamer

De laatste kamer

Onlangs droomde ik over een kunstwerk dat een huis was met oneindig veel kamers. Iedere kamer was zichzelf, babykamer of keuken, maar uiteindelijk ging het er vooral om dat iedere kamer naar een andere kamer leidde. In één van de kamers blijven leek me daardoor onmogelijk: dan zou de rest van het kunstwerk onbekend blijven, dan zou ik er nooit achterkomen hoeveel kamers er nog meer waren, en of er een laatste kamer zou zijn, of een uitgang.

Het deed me denken aan een gedicht van Chr. J. van Geel dat ik heel mooi vind:

Kinderen in de laatste kamer
horen fluisteren, horen buiten
grote vogels lopen, horen
namen en hun namen noemen
en ze lachen om wat niet waar is
en toch waar is, alleen veilig
bij elkaar.

Buiten de laatste kamer gebeurt van alles: grote vogels, gefluister – maar de kinderen in de laatste kamer lachen er om. Ze hoeven er niet naartoe, want ze hebben alles al gezien (toegegeven, dit is een nogal positieve lezing van het gedicht: de laatste kamer zou natuurlijk net zo goed de dood kunnen zijn, hoewel dat mijn lezing niet per se hoeft te veranderen). Ik in mijn droom daarentegen moest me bij elke kamer afvragen: is dat wat zich in deze kamer bevindt het waard om te blijven, of moet ik de gok wagen en kijken wat er nog meer te zien valt? De babykamer en de keuken verliet ik zonder moeite, maar de daaropvolgende ruimtes werden steeds groter en complexer, waardoor de vraag op een gegeven moment werd: ga ik naar een volgende kamer, om te kijken wat er daar nog meer is, of blijf ik hier, om te kijken wat er hier nog meer is?

Dat brengt me op het volgende: hoewel ‘vertrekken’ en ‘verlaten’ allebei vertaald kunnen worden met het Engelse ‘to leave’, bestaat er in het Nederlands tussen de twee woorden een wereld van verschil. Verlaten is over het algemeen schrijnender dan vertrekken, omdat er iets achter blijft. Als je verlaat, is een logische vraag: wat verlaat je? Maar aan wie vertrekt vraagt men: waar ga je heen? Mijn droomdilemma zou je dus samen kunnen vatten als: als ik ga, verlaat ik dan of vertrek ik?

De makkelijkste manier om dit dilemma, dat me ook als ik wakker ben vaak hoofdpijn bezorgt, op te lossen is, denk ik, door simpelweg de vooronderstelling op te heffen en niet te gaan. Door te blijven, niet vanuit het idee dat je anders iets achter zou laten wat je nooit meer terug kan krijgen, maar vanuit het idee dat oneindigheid in een menselijk leven niet bestaat en je vroeg of laat toch wel ergens zult moeten verwijlen (al is het maar in je graf, zie hierboven). Je zou kunnen zeggen dat je je dan voor altijd af moet blijven vragen wat er nog meer is, maar alle kamers die je niet bezocht hebt zullen uiteindelijk hun aantrekkingskracht verliezen omdat wat je niet gezien hebt zich niet laat herinneren. Ik was heel even bang dat mijn droom zo een metafoor was geworden voor tevreden zijn met wat je hebt, maar nu zou ik het toch liever noemen: houden waarmee je tevreden bent. Tenslotte, wie bepaalt wat de laatste kamer is? De kamer zelf heeft geen idee van zijn positie in het huis, of in de tijd. Niet de kamer of een aan de kamer verwante instantie bepaalt dat’ie de laatste is, maar de kinderen, door voor altijd in de kamer te blijven. Ik herschreef het gedicht:

Kinderen in de laatste kamer
zijn gaan zitten in de eerste kamer
die ze tegenkwamen, horen hun namen
en noemen hun kamer de laatste
en ze lachen om wat nier waar is
en toch waar is, alleen veilig
bij elkaar.

Maggie Nelson over taal & sorry.

“Afraid of assertion. Always trying to get out of “totalizing” language, i.e., language that rides roughshod over specificity; realizing this is another form of paranoia. Barthes found the exit to this merry-go-round by reminding himself that “it is language which is assertive, not he.” It is absurd, Barthes says, to try to flee from language’s assertive nature by “add[ing] to each sentence some little phrase of uncertainty, as if anything that came out of language could make language tremble.”

My writing is riddled with such tics of uncertainty. I have no excuse or solution, save to allow myself the tremblings, then go back in later and slash them out. In this way I edit myself into a boldness that is neither native nor foreign to me.

At times I grow tired of this approach, and all its gendered baggage. Over the years I’ve had to train myself to wipe the sorry off almost every work e-mail I write; otherwise, each might begin, Sorry for the delay, Sorry for the confusion, Sorry for whatever. One only has to read interviews with outstanding women to hear them apologizing. But I don’t intend to denigrate the power of apology: I keep in my sorry when I really mean it. And certainly there are many speakers whom I’d like to see do more trembling, more unknowing, more apologizing.”

– Maggie Nelson in The Argonauts, p. 98, Graywolf Press, 2015