Ik beboter mijn toast aan beide kanten

Fijn, wanneer iemand met kant-en-klare spreuken komt aanzetten, nietwaar, zodat je alleen nog maar ja hoeft te knikken?

Met deze eerste zin uit het gedicht ‘Ich butter meinen Toast von beiden Seiten’ van Peter Rühmkorf spreekt Peter Rühmkorf iedereen aan, die anderen toestaat voor hem of haar te denken. De toon is meteen gezet: het lijkt alsof persoonlijkheden van mensen steeds meer van buitenaf gestuurd worden, terwijl we intuïtief toch zouden zeggen dat juist persoonlijkheid, persoonlijk bewustzijn, iets is wat door ieder individu zelf geconstitueerd en in stand gehouden wordt. Massamedia en de overheid wortelen zich steeds steeds dieper in onze persoonlijke sfere, tegelijkertijd houden ze ons voor dat we bepaalde keuzes hebben: we hoeven ons niet aan de door hen gecreëerde trends te conformeren. Maar hoe vrij ben je om te kiezen, wanneer je weet dat er voor kiezen niet aan een bepaalde trend mee te doen, er toe zal leiden dat je niet langer meetelt? In hoeverre worden onze keuzes door instanties buiten ons bepaald, en wat zegt dit over de mate waarin we nog met onze eigen wil in contact staan?

Vervreemding

In deel I van het Communistisch Manifest uit 1848 schrijven Marx en Engels: “Maar de bourgeoisie heeft niet alleen de wapens gesmeed die haar de dood brengen, zij heeft ook de mannen geteeld die deze wapens zullen hanteren.”

Voor Marx is de vervreemde mens een mens die ontstaan is door de veranderingen in arbeidsdeling die gepaard gingen met de industriële revolutie. In bovenstaand citaat komt het woord ‘telen’, dat later bij Sloterdijk nog uitgebreider aan bod zal komen, al voor: de maatschappij is duidelijk onderverdeeld in een ‘telende’ en een ‘geteelde’ klasse, waarbij met de ‘geteelde’ klasse de arbeidersklasse bedoeld wordt. Omdat de arbeider zichzelf enkel in leven kan houden door de door de kapitalistische maatschappij vervaardigde producten te kopen, wordt hij indirect gedwongen tot arbeid.

Bij Marx kent het proces van vervreemding verschillende, opeenvolgende fasen. Allereerst raakt de arbeider vervreemd van zijn product, omdat hij in plaats van het gemaakte product zelf, slechts een percentage van de opbrengst van het product in loon uit krijgt betaald. Deze vervreemding wordt vervolgens versterkt wanneer er een steeds verder gevorderde mate van specialisatie intreedt: op het moment dat iemand enkel nog een paar schroefjes hoeft te maken, in plaats van de hele fiets, komt het product verder van de maker af te staan. De arbeider is zich niet langer bewust van wat hij produceert. Zo is dus ook het proces van arbeid zelf tot een vervreemdend proces geworden, waarna de arbeider bovendien van zichzelf vervreemd raakt. Zijn bestaan bestaat uit handelingen die hij niet thuis kan brengen. Tenslotte raakt hij zo ook, wanneer hij van zijn eigen wezen vervreemd is geraakt, vervreemd van zijn medemens. In een poging niet langer afhankelijk te zijn van de natuur, raken we uiteindelijk bovendien juist afhankelijk van de natuur: natuurlijke bronnen en brandstoffen bepalen in welke mate we kunnen produceren, en daarna consumeren. Het lijkt alsof Rühmkorf naar dit vervreemdingsproces verwijst wanneer hij zegt:

Ideen rauschen so ran und fliegen vorbei, es stehn
aber gar keine richtigen Menschen mehr dahinter,
nur noch Betriebstankwarte,
nur Petroleumschwengel.

De producten zijn bij Rühmkorf echter geen dingen, maar ideeën. Er heeft in der tijd blijkbaar een bepaalde verschuiving plaatsgevonden: het lijkt alsof niet langer enkel materiële objecten, maar nu ook immateriële zaken aan de automatisering zijn onderworpen. Rühmkorfs gedicht is zowel een beschrijving van de stand van zaken, alsook een voorspelling.

Manchmal glaube ich allerdings, diesen Schleim
kann die Menschheit auf Dauer gar nicht einschlürfen,
ohne dass sich ihr das Bewusstsein umdreht.
Deine Augen haben schon gar keinen Inhalt mehr,
so seh ich das. 

Het ‘Schleim’ dat de mensheid wordt voorgehouden, heeft tot gevolg dat het bewustzijn van de mensheid zich ‘omkeert’. Het bewustzijn wordt hier dus beïnvloed door iets van buitenaf.

Het knikken met het hoofd uit de eerste zin behoeft geen innerlijke overtuiging: het ophouden van de schijn bepaalde ideeën te onderschrijven is voldoende. Het is lastig te zeggen wat hier precies bedoeld wordt met het ‘omgekeerde bewustzijn’, omdat bewustzijn zo’n ongrijpbaar begrip is, maar ik denk dat Rühmkorf hiermee ongeveer hetzelfde wil zeggen als Marx zegt wanneer hij het over de vervreemde mens heeft. Een mens van wie de ideeën onder druk van buitenaf zijn omgekeerd, moet wel van zichzelf vervreemd zijn. De vraag rijst bovendien of een mens die enkel als ‘oliezwengel’ functioneert, überhaupt nog ideeën kan hebben. De ogen van de mens in het gedicht zijn inhoudsloos geworden.

Huiselijkheid

In Regels voor het mensenpark beschrijft Peter Sloterdijk aan de hand van Heidegger hoe de  mens zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld tot het wezen dat hij nu is. Langzaamaan begon de mens invloed uit te oefenen op de dingen om hem heem: de natuur werd getemd, dieren werden tot huisdieren gemaakt, op een gegeven moment trok de mens in in het ‘huis der taal’, en uiteindelijk ging de mens zich ook in daadwerkelijke huizen vestigen:

“Ze laten zich voortaan niet meer alleen door hun talen bergen, maar ook door hun behuizingen temmen.” Gesteld wordt dat de daad van het huizen bouwen een zeer bewuste daad is. De staat van de huizen geeft aan wat voor bewoners er in wonen. “Waar huizen staan, daar moet beslist worden wat er met de mensen die ze bewonen moet gebeuren; in de daad wordt beslist welk soort huizenbouwers de suprematie krijgt.”

Iets dergelijks lijkt ook in het gedicht van Rühmkorf aan de hand te zijn:

Hier, gleich nebenan, entsteht ein INDIVIDUELL GEPLANTES
FERTIGHAUS,
(Kommunikationszentrum für alternative Lebensformen –
Sie müssen natürlich Ihre ganze Persönlichkeit mit einbringen!)

Rühmkorfs ‘individuell geplantes Fertighaus’ sluit nauw aan bij Heideggers opvatting van huizen: het huis is hier niet slechts een vorm van temmen, maar het soort huis dat in het gedicht wordt bewoond geeft aan in welke mate de mens reeds getemd is. De mens is op een punt gekomen waarop hij niets meer te zeggen heeft over het dak dat hij boven zijn hoofd heeft, en tegelijkertijd wijst Rühmkorf er op in welke mate we door onze telende medemens voor de gek gehouden worden. We worden onder de noemer van ‘individuell geplant’ een huis binnengelokt, terwijl een huis dat door anderen bedacht wordt, bovendien kant-en-klaar geleverd wordt, natuurlijk helemaal niet zo individueel of persoonlijk kan zijn. We houden volgens Rühmkorf tevens onszelf voor de gek: natúúrlijk nemen we onze hele persoonlijkheid mee, daar hebben we immers zoveel van! We denken dat de keuze voor een kant-en-klaar product een eigen keuze is, maar de keuze voor een kant-en-klaar product is enkel een keuze voor iets wat in z’n geheel door iemand anders is bedacht en samengesteld. De mens wordt hier niet enkel door zijn huis getemd, maar er bovendien door lam gelegd. Het huis kan zowel letterlijk, als metaforisch opgevat worden. Het ‘individuell geplantes Fertighaus’ staat niet alleen voor een huis van baksteen, maar ook voor een huis van ideeën en ander gedachtegoed. Bij Marx bepaalde de bourgeoisie de inhoud van dit gedachtegoed, tegenwoordig bepalen de media welke ideeën overheersend zijn. Wie zich in het door Rühmkorf beschreven huis vestigt, richt zijn kamers in met meubels uit de overheersende maatschappijcultuur.

A negative attitude

Uit Regels voor het mensenpark komt verder voort dat, net als bij Marx, iedere groep mensen is onder te verdelen in ‘telers’ in ‘geteelden’. Een (vaak kleinere) groep mensen bepaalt of, en hoe, de rest van de samenleving getemd moet worden. Volgens Heidegger ligt een doorgeslagen vorm van idealisme hieraan ten grondslag. In een poging de mens centraal te zetten en haar te perfectioneren, is niet de mens zoals hij is, maar de mens zoals hij zou moeten zijn centraal komen te staan: “…het humanisme, (…) wordt meegedeeld dat het de agent is van een tweeduizend jaar niet-denken; het krijgt te horen dat het met zijn snel gegeven, schijnbaar evidente en onafwijsbare duidingen van het wezen van de mens het opkomen van de eigenlijke vraag naar het wezen van de mens heeft versperd.”

Hoewel de telers beweren het belang van de geteelden centraal te zetten, zetten zij, aangezien ze hun eigen idealen nastreven, dus eigenlijk enkel zichzelf centraal. Rühmkorf pleit ervoor dat ieder zijn eigen belangen moet kunnen nastreven, alleen al omdat het nastreven van belangen om nadenken vraagt. Socialisme is niet per definitie het antwoord, want ook socialisme is een vorm van niet zelf nadenken. Heidegger onderschrijft dit door te stellen dat het socialisme enkel in oppervlaktestructuur verschilt van het humanisme. Beide hebben ze een positieve benadering van de mens. In Culture with an attitude pleit Johannes Fabian echter voor een negatieve benadering: “Negativity, to come to a conclusion that is anything but closure, is not a method; neither is it a mood or a disposition. If anything, it is a dis-position, a habit of distrust in positing and in positivity that goes with taking positions.” Als er iets is wat we over een mens op een bepaald moment mogen zeggen, dan is het wat hij op dat moment niet is. Wanneer we hem voorhouden wat hij zou moeten zijn, sturen we hem, is er geen ruimte voor het overwegen van alternatieven. Dit laatste is wat het humanisme volgens Heidegger tweeduizend jaar lang gedaan heeft

Rühmkorf wijst er bovendien op dat net als humanisme, socialisme ook veel tegenstrijdigheden bevat. De antagonismen (bourgoisie -arbeidersklasse, arm – rijk, fysieke arbeid – mentale arbeid) die het socialisme op wil lossen, komen in andere gedaantes in de leer terug. Dit leidt Rühmkorf er toe te zeggen: “ich persönlich butter meinen Toast / am liebsten von beiden Seiten.” In deze zin lijkt het cynisme van het gedicht tot een hoogtepunt te komen. Om tegenstrijdigheden tegen te gaan, om in ieder geval het goede, hoewel misschien ook het slechte, te doen, raadt Rühmkorf de lezers aan om dan maar voor beide kanten, of alle verschillende kampen te kiezen. Met dit cynisme lijkt hij uit te voeren wat Fabian in zijn tekst voorstelt. Het niet langer zelf keuzes kunnen maken van de mens wordt belachelijk gemaakt met een voorstel voor alles te kiezen. Dit is geen echt voorstel – een voorstel is een manier van iets positief benaderen – maar een cynische uitspraak die een kritische noot moet plaatsen.

Men vervolgt melancholie

Volgens Peter Sloterdijk zijn mensen “zelfverzorgende, zelfhoedende wezens die – waar ze ook leven – een parkruimte om zich heen creëren. In de stadsparken, nationale parken, ecoparken – overal moeten mensen er bij stilstaan volgens welke regels ze zichzelf zullen houden.” Dit is in ieder geval één ding dat alle mensen van nature gemeen hebben. Gevaarlijk wordt het echter wanneer één groep mensen deze regels gaat bepalen voor een andere groep. Hoewel de overheersende groep tegenwoordig een stuk anoniemer is dan de bourgeoisie van Marx’ tijd, is er ook nu nog een groot aantal mensen dat door de buitenwereld wordt geleefd.

Peter Rühmkorf lijkt met zijn gedicht te willen zeggen dat we weer zelf na moeten gaan denken. “Was du machst, ist nicht jedermanns Sache, dies unter uns,” oftewel: niet alles wat we denken of doen hoeft deel uit te maken van de publieke ruimte. Zelf dingen construeren construeert inhoud, en daar hebben onze ogen gebrek aan. Bij Marx zagen we al dat de arbeider vervreemd raakt van zijn product, wanneer hij niet in dit product wordt uitbetaald. Voor gedachtes kan hetzelfde gezegd worden: wanneer een mens zijn eigen gedachtes niet kan behouden, omdat zijn hoofd vol is met de ideeën van anderen, raakt hij vervreemd. Aan de hand van narratieve identiteit is het mogelijk om het bewustzijn terug om te keren: waar bewustzijn nu doorgaans van buitenaf lijkt te komen, moeten we het weer zelf gaan creëren. Dit kan onder andere door Fabians ‘negative attitude’ aan te nemen. We hoeven niet alles vanuit één, overkoepelend ideaal te zien, zolang we maar kritisch naar het heden kijken en vraagtekens zetten bij misstanden. Dit aantonen van misstanden hoeft echter niet direct tot een oplossing te leiden, want ook dit is een gevolg van het oeverloos telen van de mens: dat ieder mankement een mankement is dat verholpen moet worden. Wanneer de telende mens slechts aandacht heeft voor het temmen en het vooruitbrengen van de menselijke soort, heeft hij geen aandacht meer voor de mens zoals hij is. Heideggers vraag naar het werkelijke wezen van de mens, kan zo nooit beantwoord worden. Het per definitie willen verbeteren van iedere enigszins negatieve eigenschap, lijkt de ultieme vorm van vervreemding tot gevolg te hebben:

Over het verdriet wordt gelachen
en men vervolgt melancholie.

Peter Rühmkorf  Ich butter meinen Toast von beiden Seiten

Schön, wenn einer mit Sprüchen vor euch hintritt, nichtwahr,
wo ihr bloss noch mit’m Kopf nicken braucht?!

Hier zum Beispiel haben wir unser PROGRESSIVES
THEATER ZUM MITSPIELEN, (wo die Selbstdarstellung
der Menschen wieder einmal voll greift –
Wäre das nicht ein echtes Freizeitangebot an Dich?)

Hier, gleich nebenan, entsteht ein INDIVIDUELL GEPLANTES
FERTIGHAUS,
(Kommunikationszentrum für alternative Lebensformen –
Sie müssen natürlich Ihre ganze Persönlichkeit mit einbringen!)

– Zu unserm Konzert für schöne Stimmen begrüssen wir heute ausserdem:
UDO JÜRGENS!
Udo, der bei uns so viel Erfolg hat wie in der DDR,
fasst auch heisse Eisen an, –

Manchmal glaube ich allerdings, diesen Schleim
kann die Menschheit auf Dauer gar nicht einschlürfen,
ohne dass sich ihr das Bewusstsein umdreht.
Deine Augen haben schon gar keinen Inhalt mehr,
so seh ich das.

Manchmal dagegen scheint mir die Welt auch wieder ganz wirklich.
HIN! HIN! kuck doch hin, der Tag:
wie geht er so schön und flüssig über in andere
Zustände, während du ihm gesammelt aufs Blattgrün blickst –
Wie so gewaltig
schäumt ein Morgen an die Brüstung.

Auf die Knie vor diesem Augenblick!

Die Blende vom Gesicht!

Nicht, dass du erst auf grosse Gedanken kommst,
wenn deine Zeit schon vorüber ist –
Ideen rauschen so ran und fliegen vorbei, es stehn
aber gar keine richtigen Menschen mehr dahinter,
nur noch Betriebstankwarte,
nur Petroleumschwengel.

Was du machst, ist nicht jedermanns Sache, dies unter uns.

Und du hast irgendwie eine Meise, die keiner hat,
für die suchst du ein Weibchen.
In einer bekannten Gaststätte für Geistesgestörte
hältst du um Klartext an –
Ich aber sage dir: in einem Kopf passen viele Widersprüche.
Der verrückte ist immer im Dienst.
Ein Tragöde steht mitten im Leben.
Anders gesagt, ich persönlich butter meinen Toast
am liebsten von beiden Seiten.

Klar bin ich Kommunist bei diesem meinem Berufsrisiko.
Ich will das Glück für alle Anwesenden.
Bloss immer nur pfennigweise kommt die Arbeiterklasse
ganz bestimmt nicht vom Fleck!
Aber diese Flügelkämpfe im sozialistischen Lager
schau ich mir nicht länger mit an.
Über den Gram wird gelacht.
Melancholie erleidet Verfolgung.